Voor de eerste keer dit jaar zette TransLab K een lokale editie op van Ecopolis. De verstrengde coronamaatregelen maakten dat het Brusselse evenement enkel online kon doorgaan, de Kempense editie in ‘t Schalieken kon live en volkomen coronaproof plaatsvinden.

Ontharden: concept slaat aan

Aansluitend bij het thema Again(st) Nature koos de Kempense versie voor “Ontharden met het oog voor biodiversiteit”, in opvolging van de juni-Kampus met bioloog Hans Van Dyck. Die zomerkampus resulteerde in twee zomeravonden waarin TransLab K het gesprek aanging met Kempense transitie-initiatieven, bedrijfsleiders, middenveldorganisaties, beleidsmakers en architecten met als kernvraag: Hoe kunnen we de Kempen ontharden?

De genodigden voor het debat in Herentals gaven een idee van hoe breed het concept ontharden kan gaan en toonden hoe het langzaam maar zeker wortel schiet in Vlaanderen.

Zwerfruimte wegwerken

Tim Vekemans

Het vertrekpunt van Tim Vekemans is: “Waar een wil is, kan een weg weg” . Met dit credo ondersteunt hij gemeenten in het ontharden of wegnemen van wegen. Vekemans, die ook verbonden is aan de Uhasselt, is een van de bezielers van RE-ST. Die architectuur- en onderzoekspraktijk zoekt oplossingen voor urgente en complexe ruimtelijke vraagstukken. Vekemans’ uitgangspunt is: Vlaanderen is volgebetonneerd en de open ruimte is veel te schaars. Waarom dat zo dramatisch is, toont hij aan met het voorbeeld van Houston, een stad waar elke vierkante meter is verhard. Toen deze getroffen werd door de orkaan Harvey in 2017 werd de stad in geen tijd omgetoverd tot één grote vijver waarin de bewoners zich alleen nog per boot konden verplaatsen. ‘Dit kan Vlaanderen ook overkomen’, aldus Vekemans.

Het meest duurzame gebouw is het gebouw dat niet gebouwd wordtTim Vekemans

Het kan en het moet anders, door zwerfruimte weg te werken. Zwerfruimte is de overbodig gebouwde ruimte, de m³ die gebouwd is maar onderbenut is. Om die op te sporen, maakte RE-ST scans van gebouwen in Vlaanderen die de bezettingsgraad aangeven. Daaruit bleek dat die vaak slechts 30 procent is. Conclusie van dit onderzoek, na te lezen in de publicatie Wanderspace-Zwerfruimte, luidt: het meest duurzame gebouw is het gebouw dat niet gebouwd wordt.

Weg met de weg

Een tweede pijnpunt: ons gemeentelijk wegenpatrimonium groeit 1 km per gemeente per jaar, 300 km voor heel Vlaanderen. Dat is nefast voor bodem en biodiversiteit maar het eist ook een hoge kost aan de gemeenschap. Het moet anders. Lange tijd was de weg naar vooruitgang een weg naar een toenemend wegpatrimonium maar die visie botst op haar grenzen: versnippering van de ruimte, files overal, sluipverkeer, droogte en wateroverlast. Slotsom: “De niet aangelegde weg is een gooi geen geld weg-weg.”

De visie verandert langzaam maar zeker, en dit helpt om steeds meer preventief te werk te gaan: van bij het ontwerp rekening te houden met deze nieuwe inzichten. Intussen zitten er curatief heel wat pilootprojecten in de steigersCuratief zitten intussen heel wat pilootprojecten in de steigers. Mechelen is zo’n pilootstad die met haar klimaatbeleid inzet op ontharding. Door samenwerkingsverbanden te smeden met partners op het terrein- VLM, Natuurpunt, Aquafin, Agentschap Natuur en Bos- kunnen er bergen verzet worden.

Ontharden voor nieuwe open ruimte

Uit het verhaal van Liesl Vanautgaerden bleek hoe de Vlaamse overheid heel wat werk verzet om initiatieven zoals Vekemans aanhaalt, mogelijk te maken en te verankeren. Vanautgaerden is senior-expert Systeemdenken Omgeving en hoofd Gebiedsontwikkeling van het Vlaamse Departement Omgeving. Ze coördineert tientallen projecten van onder meer Vlaanderen Breekt Uit.

Liesl Vanautgaerden

15 procent van het territorium in Vlaanderen is verhard en daarmee spannen we de kroon in EuropaLiesl Vanautgaerden

De noodzaak om te ontharden – onder meer in het kader van de recent goedgekeurde Blue Deal– ziet ze als een opportuniteit voor nieuwe open ruimte met kwaliteit voor wonen, werken en recreëren. Corona heeft ons duidelijk gemaakt hoe belangrijk die open ruimte is. Vanautgaerden haalde er cijfermateriaal bij: 15 procent van het territorium in Vlaanderen is verhard en daarmee spannen we de kroon in Europa. Als we zo doorgaan is dat in 2050 20 procent. Het Beleidsplan Ruimte Vlaanderen wil die trend keren en tegen 2050 een vijfde van de open ruimte ontharden. Dat betekent letterlijk: verharding opbreken, gebouwen slopen, asfalt uitbreken, wegen weggommen en de bodem weer doorlaatbaar maken. Tegelijk moet de groeiende verharding afgeremd worden. Dat is nog steeds een voetbalveld per dag, tegen 2040 moet dat 0 ha zijn.

Lokale proeftuinen zorgen voor draagvlak

De aanpak die het meeste vruchten afwerpt om draagvlak te creëren, is door te vertrekken van wat er al gebeurt in de gemeentes. Om die te bereiken, organiseerde Ruimte Vlaanderen een eerste onthardingsforum in september 2018. Daarop volgden twee projectoproepen die resulteerden in 44 proeftuinen voor ontharding. Die zijn erg divers: bij sommigen kon de schop meteen in de grond, bij anderen ging het vooral om het opzetten van samenwerkingsverbanden, ruimte maken voor water en groen, wegen wegwerken.

Concrete voorbeelden zijn De Houtmeerschen in Ardooie waar een boer zijn stallen uitbreekt, het Gummarushof in Mechelen dat de verharding wegwerkt. In de streek van de Kleine Nete worden oude weekendverblijven afgebroken. De school De Zevensprong in Leuven wil de speelplaats ontharden, in overleg met ouders, leerkrachten en onderhoudspersoneel. Ondertussen gingen een dertigtal scholen aan de slag om dit voorbeeld te volgen. Het positieve aan dit verhaal is dat het vaak laagdrempelig begint maar dat de deelnemers nadien veel verder willen gaan, enthousiast gemaakt voor het groeiende project en verrijkt met nieuwe inzichten.  Zo is er het project in Vorselaar, waar de ontharding van het kerkplein en de markt uitgebreid werd tot een groene vinger tot aan de Schrans-site, en intussen ontharding en waterbeleid leidende principes werden in het beleid.

Intussen worden de lessen uit de praktijk geïnventariseerd en opgetild tot nieuwe businessmodellen. Gemeentes kunnen daarvoor in de toekomst ook structurele middelen aanvragen. De belangrijkste les die Liesl zelf trok als Vlaamse Overheid: je hoeft geen twee jaar na te denken om zo foute dingen te voorkomen. Doen en denken tegelijk zorgt ervoor dat er een proces op gang komt met verrassingseffecten, ideeën die je vooraf niet had kunnen bedenken.

Lokale kennis onontbeerlijk

Na de creatieve ideeën van Tim Vekemans en de concrete projecten van Liesl Vanautgaerden, bracht filosoof Stijn Neuteleers een kijk op ontharding vanuit enkele principiële achterliggende vragen, zoals wat is de plaats van de expert in zo’n projecten? En wat is kennis, welke kennis? Of nog: wat vinden we waardevol?

Stijn Neuteleers

Bij projecten waarvoor een breed draagvlak belangrijk is, telt niet alleen de expertenkennis. Lekenkennis is even belangrijk. Neuteleers illustreerde dit aan de hand van het voorbeeld van Cumbria, een graafschap in het noordwesten van Engeland. Bij de kernramp van Tsjernobyl in 1986 werd die streek getroffen door een nucleaire wolk. Er werd een verbod afgekondigd voor transport en verkoop van schapen. Aanvankelijk was voorzien dat dit drie weken zou gelden maar uiteindelijk bleef het 26 jaar van kracht. Het model van de wetenschappers was onvoldoende verfijnd om de reële situatie van het specifieke landschap en de bodemgesteldheid in te schatten. Zo ontstond er een conflict tussen twee kennisculturen, die tot gevolg had dat men ook foute standaarden ging opzetten. Lokale kennis, zo bleek, is onontbeerlijk in dit soort projecten.

De waarde van natuur

Zijn andere vraagstelling peilde naar de waarde die we aan de natuur toekennen. We kunnen de natuur op drie manieren benaderen. We kunnen haar een instrumentele waarde geven: welk nut heeft een bos, een weiland, een waterloop voor ons? Dan richten we ons op de directe of indirecte voordelen die ecosysteemdiensten ons opleveren, zoals hout en biomassa, wateropslag, bestuiving, een picknickplek. Bij ontharding ligt de instrumentele waarde voor de hand: het zorgt voor wateropslag en waterregulatie, betere lucht of minder verkeer.

De natuur kan ook een intrinsieke of morele waarde hebben, los van ons eigen voordeel. Bijvoorbeeld  het beschermen van iconische diersoorten: waarom laten we de wolf vrij rondlopen of willen we dat de blauwe vinvis niet uitsterft? Op sommige plaatsen zien we dat de natuur een eigen stem krijgt in bijvoorbeeld diervriendelijk design: omheiningen met gaten voor egels, dakbedekking aangepast voor gierzwaluwen, het weghalen van tegels voor regenwormen. Die intrinsieke waarde wordt versterkt wanneer we die kunnen koppelen aan sociale normen. Mensen willen van nature het goede doen, als andere mensen dat ook doen. Het elektriciteitsbedrijf OPOWER had dat goed begrepen. Dat bracht mensen ertoe hun energieverbruik te verlagen door op de factuur het verbruik van vergelijkbare huishoudens te noteren. In de projecten rond ontharding kan het zo werken dat, wanneer mensen zien dat bepaalde gemeenten succesvolle initiatieven opzetten, ze niet willen achterblijven.

Relationeel

Behalve een instrumentele en een intrinsieke waarde, kan de natuur ook relationeel van belang zijn. Soms hebben we een persoonlijke band met de natuur: het bos uit onze kindertijd of de appelboom waar we bijzonder aan gehecht zijn. Neuteleers en Deliège schreven begin dit jaar hierover een artikel De lessen van de populier van Zottegem naar aanleiding van een oude populier die door de storm Ciara was omgewaaid.

Diep bij nieuwe projecten verhalen op en creëer verbinding. Zo breng je wat goed is voor de natuur, terug bij wat goed is voor de mens.
Stijn Neuteleers

Als het gaat over intrinsieke waarde bij ontharding kan het belangrijk zijn terug te blikken naar de geschiedenis, verhalen opzoeken over de plek, de relatie van de plek met de bewoners om het gebied weer tot zijn recht te laten komen. Nagaan wat de relatie is van bijvoorbeeld vissers met een vijver, van boeren met een landweg, van kinderen met een speelvijver.

Essentieel daarbij is de link met de gemeenschap, met al wie bij die plek betrokken is. Door verhalen op te diepen en verbinding te creëren, brengt men ook wat goed is voor de natuur en wat goed is voor de mens, weer bij elkaar. Dan heeft niemand het over verlies, maar over meerwaarde en aangenaam leven. Men geeft terug betekenis aan een plek.

Lokale projecten lonen

Na deze drie bijdragen, die elkaar goed aanvulden, gingen de sprekers in dialoog met het publiek. In dat gesprek kwam nog naar voor dat het niet altijd over grote en delicate projecten hoeft te gaan. Meer bos hoeft niet in conflict te komen met landbouw of andere groene projecten. Soms gaat het over bebossing dicht bij woonwijken, een speelbos, een geboortebos, kleinschalige initiatieven die opgenomen worden in een project van bosuitbreiding. Als het gaat over een weg weg, moet men uiteraard altijd voor ogen houden dat bewoners altijd toegang kunnen hebben tot basisdiensten.

Hindernissen

Neuteleers wijst erop dat sommige projecten inderdaad gevoelige materie zijn. Dan is het belangrijk om diverse groepen van belanghebbenden te betrekken en naar de verschillende visies te luisteren, bijvoorbeeld door met focusgroepen te werken. In het project ontstaan ook nieuwe relaties, nieuwe beelden, er groeit een verhaal en een nieuwe realiteit die ook andere gemeentes en bewonersgroepen kan inspireren.

Een andere hindernis is dat het wetgevend kader op Vlaams niveau voor vertraging zorgt. Dat kader aanpassen en de contradicties wegwerken die men aantreft als men eenmaal op het terrein aan de slag is, vraagt tijd. Maar de trend is onherroepelijk ingezet.

Bovendien blijkt uit de pilootprojecten dat wegontharding ook schotten wegneemt tussen diensten in de administratie van een stad of gemeente en in het samenwerken met andere partners zoals Agentschap Natuur en Bos of Vlaamse Milieumaatschappij. Kokers worden opengebroken en tegenstrijdige procedures moeten uitgeklaard.

Het moment is nu

Vekemans en Van Vanautgaerden ervaren allebei vanuit hun werk dat er vandaag een onthardingsmomentum is gegroeid. Die visie dringt langzaam door in de geesten en in de ruimtelijke plannen, zowel bij lokale besturen als bij betrokken burgers. Die dynamiek krijgt nog een extra impuls door de twee uitdagingen die Vlaams minister Omgeving Zuhal Demir, bevoegd voor onder meer omgeving, zich gesteld heeft: het uitbouwen van de Blue Deal en inzetten op bosuitbreiding.

 

Kortom, het was een bijzonder inspirerende, creatieve en leerrijke sessie.
Ga je zelf aan de slag met ontharding of heb je ideeën over ontharding voor meer biodiversiteit in jouw gemeente? Breng ons dan zeker op de hoogte!

De presentaties

201017 EcopolisKempen

De foto’s

© Bart Van der Moeren